De Joodse begraafplaats

De begraafplaats onderaan de stadswal ter hoogte van het Mussenbergbolwerk, in de volksmond de 'Kanonsbulten' genoemd, dateert uit het begin van de negentiende eeuw. In 1846 kreeg de Joodse gemeenschap het stuk grond, dat na een vergroting uiteindelijk bijna 7 are groot zou zijn, voor 99 jaar in erfpacht. Later, in 1896, konden de Groenlose Joden de gronden van de gemeente kopen. In 1838 was al eens geklaagd over vernielingen die op de begraafplaats plaatsvonden, maar pas in 1873 werd de muur om de dodenakker gemetseld. Deze werd, nadat ze in steeds erger vervallen staat was geraakt, in 1976 gerestaureerd. Op het langgerekte grafveld tussen de helling van de wal en de daarvoor liggende gracht bevinden zich onder hoge eikenbomen ruim 50 graftekens, waaronder een van gietijzer. De begraafplaats wordt een enkele keer nog gebruikt voor begravingen.

Sinds 1975 is deze begraafplaats in Groenlo een rijksmonument.

De begraafplaats is afgesloten, maar vanaf het Mussenbergbolwerk goed te zien. De begraafplaats is het best bereikbaar vanaf de Nieuwestraat. Vanaf daar volg je een pad langs de Grolse gracht en het wooncomplex de Canisiushof.

Bij de begraafplaats staat een klein metaheerhuisje, oftewel een reinigingshuisje. Het gebouw waar de lichamen ritueel worden gewassen en voorbereid voor de begrafenis. In het huisje wordt ook de lijkrede uitgesproken.

Het metaheerhuisje, hier nog met balustrade. Foto: Scherp in beeld. Collectie Joke Groot Kormelink.

 

Bij de stip in het midden, de ligging van de Joodse begraafplaats te Groenlo.

 

Onderstaand uit de tweedelige reeks "Groenlo in de verte" een uitgave van de Oudheidkundige Vereniging Groenlo, een verslag van de totstandkoming van de Joodse begraafplaats aan de voet van het Mussenbergebolwerk (Kanonswal) door P.A.C. Engel. O. Carm te Zenderen. De heer Engel was van oorsprong een geboren Grollenaar/Groenloër.

De Joodse begraafplaats

Op zoek naar gegevens over hoe de zaken reilden en zeilden in de veertiger jaren van de 19e eeuw in de stad Groenlo, trof ik in de verslagen van de raadsvergaderingen de neerslag van een tamelijk uitgebreide briefwisseling tussen de Israëlitische gemeente van de stad en het gemeentebestuur over de Joodse begraafplaats aan. Het dispuut loopt van 7 augustus 1839 tot 3 juli 1845. Het gaat over “hunnen (dit zijn de Israëlieten) kerkhof aan den voet der stadswal bij de Nieuwe Poorte”. Al in 1796 had, zoals uit de stukken blijkt, de Joodse gemeente van de toenmalige municipaliteit (gemeente) verlof gekregen daar hun doden te begraven.

De emancipatie van de Joodse Natie, voorgeschiedenis

Het lijkt een onbeduidende zaak, alleen van belang voor de Joodse gemeente in de stad. Toch was het een duidelijk teken dat er in de Nederlanden iets nieuws op gang was gekomen. Zo wijst het jaar 1796 onmiskenbaar terug naar het voorgaande jaar 1795, het jaar waarin er in de Republiek der Verenigde Nederlanden een diep ingrijpende verandering plaatsvond. Er kwam een eind aan het stadhouderlijk bestel onder de prinsen van het huis Oranje Nassau, om plaats te maken voor een bestel van een democratisch bewind in de geest van de Patriotten. Dit alles onder invloed van de Franse Revolutie van 1789, waardoor een eind werd gemaakt aan het autocratisch bestuur van de Franse koningen, dat vervangen werd door een burgerregime, “de Assamblé Nationale” of “Constituante”, de vergadering van de derde stand die zich als vertegenwoordiging der natie ging beschouwen, waarin de rol van de adel en de hoge geestelijkheid was uitgespeeld. Als grondslag voor de Constitutie gold de “decalration des droit de l ‘homme et de citoyen” (de verklaring over de rechten van de mens en van de burger: vrijheid, gelijkheid en soevereiniteit van het volk). De daarop volgende maatregel: scheiding van kerk en staat, confiscatie van kerkelijke goederen ten bate van de staat, toenemende bemoeienis van de staat met kerkelijke aangelegenheden, bijvoorbeeld de bisschopskeuze etcetera, wijzen op de richting die de Revolutie zou kiezen, uiteindelijk een barre kerkvervolging. De Franse patriottenlegers beschouwden het als een eretaak de absolutistische regeringen der buurlanden omver te werpen en de broedervolken de gelijkheid te brengen. (De Jong, Kerkgeschiedenis d1 IV, pagina 29). Ook de Nederlanden werden er niet voor gevrijwaard. Frankrijk verklaart Engeland en de Republiek de oorlog.

Op 1 februari 1793 werden de zuidelijke Nederlanden, dit is België, bezet. De Franse troepen, waarbij zich het Bataafse Legioen onder aanvoering van de Geldersman Herman Daendels heeft aangesloten, dringen door tot Noord Brabant, waar vrijheidsbomen geplant worden en een democratische omwenteling wordt georganiseerd. Bij een tweede aanval van het Franse leger wordt Nijmegen bezet (augustus 1794). Het opdringen van Franse revolutionaire legers wekt grote activiteit van de patriotten in de Republiek. In Amsterdam wordt Jan Schimmelpenninck (Diedenheim) en anderen een “Comité revolutionaire” opgericht. Ongeveer ter zelfde tijd, om precies te zijn tussen 21 augustus 1794 en 8 september 1794, wordt ook in Grol de stadhoudergezinde magistraat afgezet en vervangen door een burgerlijke municipaliteit (gemeenteraad). De oude magistraat, burgermeester Abbinck c.s., krijgt huisarrest; de nieuwe raad bestaat uit Heijdenrijck, Egberts, Hummeling, Ter Aa, en Struy, allemaal goede burgernamen uit Grol.

De winter van 1794/95 was zeer streng, de rivieren lagen dichtgevroren en boden zo de revolutielegers gelegenheid onder generaal Pichgru de noordelijke Nederlanden binnen te vallen. 16 januari 1795 werd Utrecht bezet, 18 januari vluchtte de stadhouder Willem V met zijn gezin naar Engeland. Op dezelfde dag neemt het “Comité revolutionaire” in Amsterdam de macht van de zittende burgermeesters over. Zij noemt zich nu “Provisionele representante van het volk van Amsterdam”. Zo ging het in vele steden en werd “op minnelijke wijze” de overgang van het stadhouderlijk tot een democratisch bewind verwerkelijkt. Begin 1795, op de laatste dag van de ijskoude januarimaand, vond er aan het Haagse Binnenhof een voor velen een hartverwarmende plechtigheid plaats. Daar proclameerden toen de voorlopige afgevaardigden uit het volk van het leidinggevende Holland (d.i. Amsterdam) de naar Frans model omschreven rechten van de mens en burger en werd als nieuw beginsel afgekondigd dat “allen verkiesbaar zijn tot alle ampten en bedieningen”… Op de meest officiële wijze werd afgerekend met enig politiek onderscheid vanwege welke godsdienstige gezindheid dan ook… Er zouden voortaan alleen nog maar Bataafse burgers zijn. Zie: ( Bornewasser, Kerkelijk verleden in een wereld context, pagina 262). De volgende stap moest nu wel zijn een nieuwe Staten Generaal te vormen. Verkiezingen volgens getrapt kiesrecht werden georganiseerd voor een Nationale Vergadering die het hoogste regeringslichaam zal zijn en waarvan de eerste taak zal zijn een grondwet op te stellen. Nog voor de grondwet opgesteld was, werd door de Nationale Vergadering de scheiding van kerk en staat uitgeroepen, waardoor de Nederlands Hervormde Kerk haar bevoorrechte positie verloor, en er werd de gelijkheid voor de wet van iedere Bataafse burger vastgelegd. Dit alles vond zijn bekrachtiging in de grondwet van 1814. Zo werd de “Joodse Natie” gelijkgesteld met de Bataafse burgers. Daarmee was wettelijk een eind gemaakt aan de discriminatie waaraan de Joodse Natie ook in de Nederlanden was blootgesteld. Daarvan leggen ook de Grolse memorie- en resolutieboeken van de magistraat getuigenis af: het Jodentribuut, een aparte belasting die de Joden in Grol aan de magistraat moeten betalen; de telkens weer voorkomende, van hoger hand bevolen razzia’s op landlopers, bedelaars en andere lieden van verdacht allooi, met name ook “pakkendragende Joden”. Ook aan de vestiging van Joden binnen de stad werden bijzondere eisen gesteld. De aanstelling van de heer Ricardo tot stadssecretaris in 1815 moet ook wel in het licht van de emancipatie van de Joodse natie gezien worden. Hij was van Portugees – Joodse afstamming. Verrassend snel heeft de Joodse gemeente in Grol, al in 1796 zoals hierboven vermeld, haar burgerrecht laten gelden om een eigen begraafplaats te verwerven. De katholieken hebben tot 1818 gewacht voor zij tot een dergelijke stap overgingen. “Na rijp beraad en ingewonnen advies van anderen hebben de Kerkmeesters besloten tot het aankopen van eene bekwame plaats om eenen nieuwen en eigenen kerkhof aan te leggen en hebben tot dat eind werkelijk den hiertoe zeer gelegen hof van den Heer Batenburg erkogt”. (Uit Grepen uit het Grols verleden 1, pagina 36). Die bekwame plaats lag aangrenzend aan het terrein waar in 1784 de eerste katholieke kerk binnen de stadswallen werd gebouwd, tegenwoordig aansluitend aan het Molenbergcomplex “De Batenburghof” aan de Lepelstraat. Het schijn dat tot in de dertiger jaren van de 20e eeuw zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan tussen de raad van de stad en de Joodse gemeente, die in het rustige gebruik van haar begraafplaats werd gelaten.

De ommuurde Joodse begraafplaats vanaf de Halve Maan gezien. Foto: Stichting Mooi Groenlo.
 

Een eerste aanbod van de raad

Tot twee maal toe doet nu de raad aan de Joodse gemeente het voorstel haar begraafplaats aan de voet van de stadswal prijs te geven. In de vergadering van 7 augustus 1837 wordt “na rijpe deliberatie” (overleg) besloten dat “aan de Israëlitische gemeente alhier gratis zal worden aangeboden een hoek grond genoegzaam voor eene begraafplaats voor hunne lieden op het zogenaamde Slat even buiten de Beltrummerpoort. Dit gratis aanbod geldt voor het geval dat de Joodse gemeente op eigen kosten het terrein in orde laat brengen.; moet dat echter door de stad geschieden, met afsluiting inclusief, dan komen de kosten en begrafenisrechten toe aan de stad. “Wanneer zij luiden de afsluiting daarvan voor rekening van de stad te verlangen, dan zullen gezegde Israëlieten zich de kosten van inlage hunner doden volgens de wet aan de stad moeten betalen.”

Het aanbod van de raad is door de Joodse gemeente niet aanvaard. In de raadsvergadering van 13 november 1837 brengt de burgemeester een “adres van de Kerkeraad der Israëlitische gemeente te Groenlo” in behandeling. Het adres behelst een verzoek “hunnen kerkhof aan den voet der stadswal “te mogen omheinen of afsluiten, alsmede het aldaar geplante plantsoen te mogen amoveren”(verwijderen). Na dit verzoek “met de vereiste attentie gelezene te hebben” stelt de raad vast, dat de Joodse gemeente indertijd (1796) vergunning gekregen heeft daar hun doden te begraven; er is dus geen sprake van overdacht in eigendom van het terrein aan die Joodse gemeente, ..en wat het amoveren van het plantsoen aldaar aangaat, wordt gesteld dat “toen ter tijd die plaats met zwaarder boomen beplant was” waartegen toen geen bezwaar geopperd werd.

Geen afstand van de wallengrond

De raad besluit dan ook “het verzoek van genoemde kerkeraad te wijzen van de hand”. Wel wordt door de raad erkend dat “die gemeente (de Joodse) zoo wel als andere gezindheden geregtigd is een kerkhof te kunnen aankoopen en voor eigen rekening te doen omheinen en afsluiten”. (Vergelijk raadsbesluit van 7 augustus 1837). De raad acht zich echter “niet bevoegd een gedeelte der stadswallen in algemeen gebruik voor de gemeente (Grol) bestemd, tot een privaat eigendom aan eene of andere gezindheid af te staan”. Bijna een jaar later, op 11 september 1838, wordt besloten om alsnog “een afschrift van het Raadsbesluit van augustus 1837 aan de manigim en parnasijn bij de Israëlitische gemeente zal worden toegezonden”. (Manigim: de bestuurders van een Joodse gemeente. Parnasijn: voorzitter van de Joodse gemeente en lid van het dagelijks bestuur).

Het aanbod van de raad van een begraafplaats aan de voet van de wal weg te krijgen moet vermoedelijk wel gezien worden in verband met een herhaaldelijk genomen raadsbesluit, juist in deze jaren, om geen perceel van de stadswallen aan particulieren te verkopen. ( Zie het artikel van de heer Tops in Grepen uit het Grolse verleden II, pagina 25), misschien ook nog wel in verband met de instelling van een commissie tot behoud van historische monumenten in de stad, die onder voorzitterschap van de heer L. Lasonder rector van de Latijnse school, daar toezicht op moest houden. Het schijnt dat de zaak daarmee voorlopig op zijn beloop is gelaten.

Situatie 2020: De kavels 1904 en 1905, in het midden van de afbeelding, onder aan de voet van het Mussenbergbolwerk behoren toe aan het Nederlands-Israelitisch Kerkgenootschap. Afbeelding: Perceelloep
 

Een tweede aanbod van de raad

Maar in februari 1845 wendt de Joodse gemeente zich opnieuw tot het stedelijk bestuur met een verzoekschrift, dat aanmerkelijk verder gaat dan het vorige van 1837. Nu wordt gevraagdom aanleg en verdere uitbreiding van de begraafplaats. In zijn antwoord volgt de raad dezelfde tactiek als die van 1837: “aan het Israëlitische kerkbestuur zal worden aangeboden om tot begraafplaats te dienen een perceel land gelegen op de hoogen Oosteresch , welk perceel volgens informatie voor een geringe prijs is aan te koopen.” In de raadsvergaderingen van 20 februari 1845 en 1 april 1845, waarvan secretaris W.H. Knikkink uitvoerig verslag geeft, krijgen we de laatste fase van het langdurig dispuut tussen de gemeenterad en de Joodse gemeente over de Joodse begraafplaats. Er wordt ons meegedeeld wie er aanwezig waren: burgemeester J.A. Hummelinck, de wethouders H.J. Gantvoort en J.A. Huiskes, de raadsleden F. te Voorde, Fr. P. Stottelaar en M.J. Dievelaar. Er blijkt contact te zijn gezocht met Zijne Excellentie de heer staatsraad en gouverneur der provincie naar aanleiding van de zaak van de Joodse begraafplaats. Op 1 februari heeft de raad een schrijven aan de staatsraad gericht “betrekkelijk het nemen van voorzieningentegen de veiligheid en onschendbaarheid der Israëlitische begraafplaats”. Daarop heeft de staatsraad gereageerd en wordt er nu besloten hem (de staatsraad) ervan op de hoogte te stellen dat “des Heeren Staatsraad Gouverneurs opmerkingen dien aangaande aan het kerkbestuur der alhier”  door te geven. Verder blijft de raad vasthouden aan het aanbod van 15 februari 1845 en dat ze “zich geen bevoegdheid toekent meerdere toegeeflijkheid in dezen te gebruiken”, zoals ook aan de staatsraad is meegedeeld. Verder betoogt de raad dat er “ten aanzien van het aan zijde der Israëlieten verkregen regt op die plaats” geen sprake kan zijn; bij het verwijderen van het houtgewas “jazelfs met wortel en tak uitroeien” in 1796 heeft de Joodse gemeente “nimmer hun regt op die plaats of op het daarop staande houtgewas doen gelden”. Evenmin is er in 1807 en volgende jaren “bij het inplanten van jong opgaand geboomte, die plaats als een regt aan hunne zijde verkregen beschouwd”. Vastgesteld wordt dat als de Joden bij het begraven van hun lijken niet zo ongeregeld waren te werk gegaan, zodat “in de strook gronds aan de voet dezer stadswal, al ongeveer 150 ellen zijn verbruikt”, die strook “nog genoegzaam” zou zijn geweest. Wel is in deze omstandigheden de raad bereid “een verlenging van het onderwerpelijk terrein” toe te staan zodat op de begraafplaats “nog een reeks van jaren genoegzaam ruimte zal bestaan, als daar regelmatig begraven wordt”. Gebeurt dit niet, dan voorziet de raad dat het terrein herhaaldelijk verlengd zal moeten worden en dat “er na afloop van 50 jaren een zeer groot gedeelte van de benedenste stadswallen zal gebruikt zijn” Maar daartoe zal de raad niet bereid zijn een vergunning te geven.

De raad kan zich heel wel verenigen met het voorstel tot afsluiting en omheining van de begraafplaats. “Mogt die afsluiting echter geen plaats vinden, dan kunnen van regeringswege de voorgeschreven voorzieningen tegen vertrapping der graven, krenkingen en beschadigingen, genomen worden”. Tenslotte spreekt de raad de vurige wens uit “dat de Joodse gemeente tot aankoop van den bedoelden grond (Oosteresch) mogten besluiten, de oude begraafplaats verlaten, en aangekochte grond met een omheining omgeven”. Dat zou geheel in lijn liggen van wat “voor ongeveer 7 jaren de Ed. Groot Achtbare Heer Brantjes, lid der gedeputeerde Staten bij gelegenheid van het houden eener locale inspectie van deze stadswallen ”had uitgesproken “ten volle in het gevoelen van de Raad te delen, dat het te bejammeren ware, dat met de begravenissen op die wijze wierde voortgaan, aangezien gedacht terrein bijzonder geschikt was tot het aanleggen van plantsoen, van wandelwegen en nhet bevorderen van weiderij voor op de stadswallen gehoed wordende koebeesten”. De raad spreekt tenslotte dat een aanbeveling in deze geest van de kant van de heer staatsraad een gunsige invloed op de onderhavige zaak zou kunnen hebben. Een tweede tamelijk breedvoerig verslag, ook weer van de hand van secretaris Knikkink, betreft de raadsvergadering van 1 april 1845. Behalve de op 20 februari genoemde raadsleden is nu ook aanwezig het lid F. Dieperink. In behandeling wordt genomen een brief van de raad en een afschrift van een schrijven van de staadsraad, respectievelijk van 17 en 14 februari en een extract van de raadsbesluiten van 20 februari, allemaal betrekking hebbend op de Israëlitische begraafplaats. Kort en bondig wordt in het schrijven van het “kerkbestuur der Israëlitische gemeente” verklaard dat de Joodse gemeente “niet tot het nemen van een andere begraafplaats kan overgaan” en dat als niet binnen acht dagen het voorstel van de Joodse gemeente, namelijk de uitbreiding van de oude begraafplaats tot één en een halven el buiten de lijn der bomen, wordt aangenomen en goedgekeurd, dat als weigering zou worden beschouwd en men de zaak aan de beslissing van een hogere macht moest onderwerpen. Het behelst dus een volkomen verwerping van het door de raad in de vergadering van 20 februari voorgestelde, namelijk verlenging van de begraafplaats. Maar nu wordt om een verbreding er van gevraagd. De hogere macht waarop beroep zal worden gedaan is wel de gouverneur der provincie. Na breedvoerige bespreking besluit de raad de Joodse gemeente een stap voor te blijven en zich met een klaar en duidelijk betoog tot de staatsraad te wenden: “De eisch van het Israëlitisch kerkbestuur is in allen deele overdreven en onregtmatig, daar het de Joodse gemeente vroeger nimmer vergund is geworden buiten de lijn der boomen te begraven”.  De raad acht zich verder onbevoegd op de eis in te gaan en niet te mogen “afwijken van het aanbod aan het Israëlitisch kerkbestuur in der tijd gedaan. Ten slotte verzoekt de raad de heer staatsraad “door zijn vermogende invloed het Israëlitisch kerkbestuur alhier te overtuigen van de inschikkelijkheid van het stedelijk bestuur” en te willen bevorderen dat het stadsbestuur “voor het vervolg van de onregtmatige eischen van zijn zijde het Israëlitisch kerkbestuur en daardoor van eene wijdlopige en onaangename correspondentie worde ontheven”. Het schijnt dat de Joodse gemeente het bij deze ultieme eis en beroep op hogere macht heeft gelaten. In het kort verslag van de raadsvergadering van 3 juli wordt mededeling gedaan van een mondeling verzoek aan de burgemeester gericht “door manhig penningmeester Sander Heymans” tot afsluiting en omheining der Israëlitische begraafplaats. De raad besluit “dat de omheining of afsluiting op geene andere wijze kan worden toegestaan als door de raad bij deswege vroegere genomen besluiten is bepaald. Van dit besluit zal schriftelijk kennis worden gegeven aan het Israëlitisch kerkbestuur en aan voornoemde manhig penningmeester”. En zo is het gesteld gebleven met de Israëlitische begraafplaats aan de voet van de stadswal bij de Nieuwe Poort.

Zenderen, januari 1990.                                           P.A.C. Engel. O.Carm.

 
     
 
     
8 februari 2021. Foto-impressie Joodse begraafplaats. Foto's: Diane Huijkes-Blanken.